Het vroeg signaleren van mijn probleem is belangrijk geweest voor mijn herstel

“Mijn ouders confronteerden me met mijn eetstoornis toen ik zelf nog niet door had wat er aan de hand was.”

Sinds de afsluiting van haar behandeling ziet Floor (21) zichzelf als hersteld van haar eetstoornis. Zij leed ruim twee jaar aan orthorexia. Ze woont inmiddels op zichzelf en is gelukkiger dan ooit. Nog altijd heerst er een taboe rondom eetstoornissen en psychische problemen in het algemeen, maar Floor laat zien waarom (vroeg)signalering belangrijk is en wat het heeft betekend voor haar eigen herstel. De signalering van haar eetstoornis lag onder andere bij haar jongere zusje Zoë (15), met wie Floor samen terugblikt naar dat moment.

Floor: “Ik zat in 4 VWO toen mijn eetstoornis begon, ik was 15 jaar. Met schoolwerk, vriendinnen, sporten op hoog niveau, een relatie en een bijbaantje, probeerde ik alle ballen in de lucht te houden. Eten werd een stabiele factor, iets waar ik grip op had. Al snel ging het van een hobby, ik vind koken ontzettend leuk, naar iets waar ik obsessief mee bezig was. Ik sloeg door in gezond willen eten, handbalde zes uur per week en verloor daardoor onbewust gewicht. Dat is nooit het doel geweest, maar ik werd slachtoffer van de ziekte.”

Zoë: “Ik liep al een tijdje rond met een onderbuikgevoel; het ging niet goed met Floor. Ik was toen 10 jaar oud, dus ik kan me niet meer goed herinneren wat voor mij het eerste moment was dat ik werd geconfronteerd met de eetstoornis. Ik kan me wel nog herinneren dat ze ruzie had met onze ouders in de garage en bij mij toen duidelijk werd dat mijn onderbuikgevoel klopte. Ik ging naar mijn kamer en sloot mij er vanaf.”

Floor: “Mijn ouders confronteerden me met mijn eetstoornis toen ik zelf nog niet door had wat er aan de hand was. Ik wist dat er iets niet helemaal goed zat omdat mijn broeken niet meer mooi zaten, maar ik wist ook niet hoe ik het kon oplossen. Ook mijn gymdocent was iets opgevallen, want hij was naar mijn mentor gestapt om te vragen of het wel goed met me ging. Dat was nog voordat mijn ouders er thuis over begonnen. Ik vond het fijn dat hij het bij mijn mentor neerlegde en niet mij er direct zelf mee confronteerde. De aanpak van zowel mijn ouders als mijn gymdocent destijds heeft ervoor gezorgd dat we vroeg konden ingrijpen en ik daardoor in kortere tijd kon herstellen.”

Floor: “We wilden het in eerste instantie als gezin aanpakken. Ik zou meer gaan eten om aan te komen in gewicht, wat ik zelf ook graag wilde. Wat ik merkte was dat als er iets lekkers werd gegeten, zoals een plakje cake in het weekend, ik toch een bepaalde blokkade voelde. Ik durfde niet af te wijken van mijn gezonde eetpatroon, vanuit de angst dat mijn lichaamsbouw zou veranderen. In tegenstelling tot anorexia deed mijn gewicht me niks, maar ik vond het spannend hoe mijn lichaam zou veranderen, omdat ik eerst was afgevallen en nu terug moest aankomen. Dan weet je dat het probleem diepere wortels heeft.”

Zoë: “Toen Floor eenmaal in herstel was van haar eetstoornis merkte ik dat het voor het gezin moeilijk was om op een goede manier te communiceren. Er is één persoon die daadwerkelijk met de problemen rondloopt, maar het hele gezin voelt het. Vanwege mijn jonge leeftijd merkte ik dat ik er vaak buiten werd gehouden. Dit deden mijn ouders en zus om mij te beschermen, maar toch krijg je het mee. Dat maakte het voor mij frustrerend, omdat ik het fijn vond als ze het mij ook zouden vertellen. Dan kon ik er iets mee.”

Floor: “We kwamen uiteindelijk tot de conclusie dat we het als gezin niet alleen konden oplossen, dus heb ik bij mijn ouders aangegeven dat ik graag naar een psycholoog wilde. Daar ben ik twee jaar in behandeling geweest, één jaar in combinatie met begeleiding van een diëtiste en kinderarts. De therapiesessie die ik samen met mijn zusje had, zorgde ervoor dat ik ook haar meer ging betrekken bij mijn proces. Ik zag wat het met haar deed en dat ze het lastig vond opzij te worden geschoven. Dat heeft er denk ik voor gezorgd dat we het er nu goed over kunnen hebben.”

Zoë: “Door deze levenservaring ben ik snel volwassen geworden en kan ik me nu beter verplaatsen in anderen. Het hoeft natuurlijk niet altijd zo te zijn, maar wanneer een vriendin op school bijvoorbeeld tegen mij zegt dat ze haar brood niet lekker vindt en dat vervolgens weggooit, gaan er bij mij toch alarmbellen af.”

Floor: “Zowel mijn ouders, zusje als ikzelf zijn nu extra scherp, maar sinds ik op mezelf woon is dat afgenomen. Ik heb nog nooit zo lekker in mijn vel gezeten als nu, wat mijn ouders en zusje ook aan mij kunnen zien. Ik neem het ze niet kwalijk dat ze soms op me letten, het blijft toch een stukje bezorgdheid om iemand die je dierbaar is.”

Zoë: “Naar mijn mening is het in de (vroeg)signalering vooral belangrijk om het gesprek aan te gaan, maar ook om binnen een gezin meteen te zorgen voor een open communicatie. Met Floor heb ik het nog regelmatig over wat er is gebeurd en hoe het onze band heeft versterkt. We zitten nu meer op één lijn en voelen het leeftijdsverschil niet meer. Dat zou alsnog gebeurd zijn naarmate we ouder zouden worden, maar het delen van de ervaring met de eetstoornis van Floor heeft dat proces wel versneld. Ik voel me daardoor mentaal verder dan mijn eigen leeftijdsgenoten.”

Floor: “Daar ben ik het mee eens. Ik ben een prater, maar ik kan me voorstellen dat dat niet voor iedereen makkelijk is. Ik speelde meteen open kaart, zowel naar familie en vrienden als op school en in het handbalteam. Op het moment dat ik moest stoppen met handballen, kreeg ik van hen een klein cadeautje met een kaartje waarop stond: “We zien je snel weer terug op het handbalveld.” Op dat moment realiseer je het nog niet, maar een sociaal netwerk is cruciaal in het herstel van een eetstoornis.”

Floor: “Dat is ook meteen de belangrijkste tip die ik mee wil geven: praat erover. Als je dat van nature niet makkelijk doet, dan kan het schrijven van een brief een optie zijn. Je kunt er dan even over nadenken wat je met iemand wil delen, in plaats van dat je het meteen vertelt en er achteraf niet fijn op terugkijkt. Een brief schrijven kan ook de drempel verlagen om het gesprek aan te gaan.”

Zoë: “Ook als naaste is het belangrijk om in te grijpen zodra je merkt dat het niet goed gaat met iemand. Vaak zitten mensen met een eetstoornis zelf nog in de ontkenningsfase en kunnen ze die ingang voor een gesprek wel gebruiken. Ik kijk zelf kritisch naar de persoon waar ik naartoe wil stappen en wat de situatie op dat moment toelaat.”

In verband met privacy redenen zijn niet de echte namen gebruikt in dit artikel

MENU
WEET